logo
Zoeken:

Inloggen:


Gegevens vergeten?

De Nederlands Hervormde kerk te Baijum

 

Inleiding

Voor degenen, die in 1982 een kijkje nemen in de kerk van Baijum, is het wellicht nutiig te weten hoe de situatie bijna anderhalve eeuw geleden was.

Wie beter dan de bekende schrijver en boekverkoper Wopke Eekhoff uit Leeuwarden kunnen we even het woord verlenen?
In 1840 gaf hij van zijn reis door de greidhoek van Friesland een ooggetuigenverslag.
Komende uit de richting Baard, via Winsum en Baijum naar Dronrijp, schreef hij:

"De weg loopt in Noordwestelijke rigting door Winsum, welks buitengewoon hooge terp, nevens het dorp, zich reeds op eenige afstand aan het oog vertoont. Hoewel deze terp eene der hoogsten van dit gewest is en een heerlijk gezigt over een groot deel van Westergoo geeft, zoo zijn dergelijke hoogten in dit oord geen zeldzaamheden: want zoodra man van Winsum, voorbij de terp van het oude klooster Monnike-Baijum, het hooggelegenen dorp Baijum (vroeger in tegenstelling van het vorige ook wel wereldsch Baijum geheeten) nadert, begint eenen schoonen en zeldzame heuvelenrij, grootendeels onder het behoor van Dronrijp gelegen. Zij behaagt het oog deste meer, omdat de  nu verlatene oorden meest uit éénzelvige weilanden bestonden, die bij eene geringere bevolking minder sterk met huizen bebouwd zijn. Hier evenwel nemen de bouwgronden, met meerdere en aanzienlijke dorpen en boerenplaatsen vervuld, een aanvang".

 

TWEE GROTE VERSCHILLEN

De "schoonen en zeldzamen heuvelenrij", de keten van terpen rond Baijum is er niet meer. Vooral rond de eeuwwisseling zijn de opvallende terpen afgegraven en des te sterker valt de hoogte van de Baijumer terp -waarop de kerk is gebouwd- op.
Vergeleken met de situatieschets van Eekhoff uit 1840 zijn er twee grote verschillen. In de eerste plaats liep de weg van Winsum naar Dronrijp niet -zoals nu- dóór het dorp, maar rond de grote terp, aan de westkant van het dorp. Het was een situatie die men nu mogelijk weer zou wensen, maar de geschiedenis is niet zondermeer terug te draaien, zodat er momenteel driftig wordt gedacht aan andere maatregelen, die het verkeer door het dorp moeten reguleren.

Een tweede opvallend verschil: de kerk en de toren lieten een geheel ander beeld zien. Vooral de zadeldaktoren maakte in 1840 een heel andere indruk. 
Er was in de voorgaande jaren overigens wel wat veranderd aan en rond de Baijumer kerk. Er was een periode waarin het de boeren wat beter begon te gaan na de verschrikkingen van de besmettelijke veeziekten, die soms hele beslagen uitroeiden. Er werd nu beter geboerd en daarmee werd het hele leven op het platteland op een hoger peil gebracht. De Baijumer kerk was eigenaar geworden van uitgestrekte scharlanden -tussen Baijum, Huins en Winsum- en dat bracht jaarlijks een behoorlijke som aan weidegeld op.

Om een voorbeeld te geven:

In 1828 kon men het nieuwe orgel (f.500,--) bekostigen uit de opbrengst van het schargeld van hetzelfde jaar. Het orgel hield het 32 jaar uit. 
In 1860 werd besloten een nieuw orgel te kopen bij de bekende Leeuwarder orgelbouwer W. Hardorff.
De beide "halfversleten blaagbalgen" werden voor f.50,-- verkocht aan de kerkvoogden van Edens en het nieuwe orgel kostte -inclusief het plaatsen in de oude kerk- f.1042,--. Het was opnieuw een bedrag dat kon worden betaald uit de opbrengst van één jaar schavergoeding. Op 9 april 1860 werd tijdens een kerkdienst het nieuwe orgel ingewijd. 
Men raakte haast in vervoering, vooral toen de Wommelser hoofdonderwijzer B. Posthumus- die een begaafd organist geweest moet zijn- alles uit het nieuwe instrument haalde.

De kerkvoogden getuigden openlijk in de Leeuwarder Courant: "Na afloop dezer Godsdienst plegtigheid hebben deskundigen dan ook niet kunnen nalaten het éénparig getuigenis af te leggen, dat het een zeer welluidend en deugdzaam Orgel is".

 rest volgt