logo
Zoeken:

Inloggen:


Gegevens vergeten?

De predikantstractementen waren van plaats tot plaats verschillend. Het kwam zelfs voor dat in dezelfde gemeente verschillende salarissen werden betaald. In de loop van de zeventiende eeuw werden de tractementen, vaak op aandringen van de kerkelijk vergaderingen, enige malen verhoogd en aangepast aan het gestegen prijspeil. Maar ook dit gebeurde overal op verschillende wijze en sommige predikants­tractementen werden niet of heel weinig verhoogd.
Om tot een beeld van de salarispositie der predikanten in het algemeen te komen en tegelijkertijd recht te doen aan die grote verscheidenheid, zullen we een overzicht van de salariëring van de predikanten in de verschillende gewesten geven, aandacht schenken aan de verschillen tussen stads- en plattelands­tractementen, maar ook voor enkele plaatsen gedetailleerd op het verloop van de predikantssalariëring in de zeventiende eeuw ingaan. Deze werkwijze biedt bovendien de gelegenheid ook aan andere inkomensbestanddelen dan het tractement aandacht te besteden.
 
Een inkomen rechtstreeks uit de pastoriegoederen kende men op veel plaatsen in Friesland. De predikant kwam daar, evenals zijn voorganger de rooms-katholieke pastoor, in het genot:  
                   van de pastorye, daer hy op gheroepen is, om daermede te doen
                   ghelyck van oudts een ghebruyck in dese landen is gheweest.
De predikanten die hun salaris uit handen van een rentmeester der kerkelijke goederen ontvingen, werden per jaar, per half jaar of per kwartaal uitbetaald. Dat gebeurde vaak niet op de afgesproken tijd. In alle gewesten regende het de gehele eeuw door klachten over achterstalligheid bij de uitbetaling van de predikantstractementen. Maar ook als de predikant zijn inkomen rechtstreeks uit de pastoriegoederen trok, kwam zijn tractement niet altijd op het juiste tijdstip binnen. Slechte weersomstandigheden, misoogst, ziekte onder het vee en andere calamiteiten konden roet in het eten gooien.
In Friesland schijnen de predikanten, na moeilijke jaren gedurende de laatste decennia van de zestiende eeuw te hebben doorgemaakt, in de eerste helft van de zeventiende eeuw een redelijk inkomen te hebben gehad. Maar aanvankelijk waren verzoeken als van de predikant van Welsrijp in 1587 om hem ‘in sinen unverdragliken rantzuin und swaren schulden christlich te hulpe’ te komen, geen uitzondering. Verbetering in de materiële positie van de Friese predikanten werd bereikt door verschillende dorpjes tot één gemeente samen te voegen en bepaalde overheidsinkomsten zoals turfgeld en wagenvracht en boetes voor het vissen in verboden water voor de predikantstractementen te bestemmen. Een rijk bestaan hadden de meeste Friese predikanten niet. In de tweede helft van de zeventiende eeuw, toen omstreeks 1670 de pachten daalden terwijl de belastingen omhoog gingen, kregen de dorpspredikanten het zelfs uitgesproken moeilijk. Heel wat dominees op het Friese platteland verdienden toen minder dan ƒ 300, - en konden de eindjes niet meer aan elkaar knopen. De spectaculaire demonstratie van 156 Friese predikanten in 1672 te Leeuwarden moet mede in het licht van deze noodsituatie worden gezien. In de Friese steden waren de salarissen aanzienlijk hoger. Dominee Bogerman verdiende in 1625 in Leeuwarden al ƒ 900,- per jaar.