logo
Zoeken:

Inloggen:


Gegevens vergeten?

De veldslag bij Baduhenna 28 n.Chr.

door F.N. Heinsius, november 2008
 
Waar lag Baduhenna? Een eenvoudige vraag die nu echter al twee millennia lang geïnteresseerden heeft beziggehouden. De bewijsvoering komt maar niet rond. Ons erfgoed bestaat uit een summier verslag in de Romeinse kroniek van Tacitus. De beroemde historicus schreef boeiende samenvattingen, maar zadelde het nageslacht wel met allerlei vragen op. Gelukkig worden er sporadisch ontdekkingen gedaan die zijn teksten ondersteunen......

Heinsius heeft onderzoek gedaan naar de "slag bij Baaium". Eén van zijn conclusies: 
 
De overwinning van de Friezen in de slag bij Baduhenna is dus achteraf gezien een keerpunt in de Romeinse veroveringsgeschiedenis.

Verder lezen 
 
 

 

Uit wikipedia kort waar deze veldslag over gaat:

Slag van Baduhenna

 

De slag in het woud van Baduhenna vond plaats in 28 n. Chr. tussen de Friezen en de Romeinen. De Romeinen werden door de Friezen verslagen.

[bewerk]Achtergrond

In 28 waren de Friezen in opstand gekomen nadat Olennius, de nieuwe landvoogd, de belastingen drastisch had verhoogd en hardvochtig was opgetreden tegen onlusten als gevolg hiervan.

De Friezen brachten een legermacht op de been en vielen de Romeinen aan bij het castellum Flevum, dat door sommige historici in de buurt van Velsen wordt gelocaliseerd. Na hevige gevechten konden de verdedigers met moeite de Friezen van zich afslaan. Lucius Apronius, de bevelhebber van het Romeinse grensleger aan de Beneden-Rijn zond met boten haastig versterkingen naar het noorden teneinde de opstand neer te slaan. Toen dit leger aankwam in het gebied van de Friezen trokken deze zich terug in het woud van Baduhenna. Het is onduidelijk waar dit bos gelegen was.

De Friezen waren ten opzichte van de Romeinen in het voordeel, ze kenden het woud en waren licht bewapend. De slag in het woud liep uit op een klinkende overwinning van de Friezen. Volgens Tacitus vonden negenhonderd soldaten de dood en doodden vierhonderd elkaar, omdat ze verraad vreesden. De overlevenden vluchtten terug naar het zuiden.

Keizer Tiberius zond geen strafexpeditie naar de Friezen, waardoor de Friezen hun vrijheid terug hadden gewonnen. In 47 vestigde Corbulo opnieuw het Romeins gezag.


Tacitus, een romeins historicus,
schrijft als volgt over deze slag in 28 na Chr.

Links de oorspronkelijke tekst. Rechts de vertaling
4.72.1. Eodem anno Frisii, transrhenanus populus, pacem exuere, nostra magis avaritia quam obsequii impatientes. Tributum iis Drusus iusserat modicum pro angustia rerum, ut in usus militaris coria boum penderent, non intenta cuiusquam cura quae firmitudo, quae mensura, donec Olennius e primipilaribus regendis Frisiis impositus terga urorum delegit quorum ad formam acciperentur.
4.72.1. In hetzelfde jaar zijn de Friezen, een volk aan de overkant van de Rijn, in opstand gekomen, meer als gevolg van onze eigen inhaligheid dan uit misnoegen over hun onderwerping. Drusus had hen een matige belasting opgedragen met het oog op hun beperkte middelen, namelijk om voor militair gebruik runderhuiden in te brengen, zonder dat iemand zich er ooit druk om had gemaakt welke kwaliteit en welke afmeting zij moesten hebben, totdat Olennius, een van de primipili, aangesteld om de Friezen te regeren, huiden van oerossen uitkoos, naar het formaat waarvan hij ze wenste te ontvangen.
4.72.2. Id aliis quoque nationibus arduum apud Germanos difficilius tolerabatur, quis ingentium beluarum feraces saltus, modica domi armenta sunt. Ac primo boves ipsos, mox agros, postremo corpora coniugum aut liberorum servitio tradebant.
4.72.2. Deze belasting, ook voor andere volken al een zware opgave, werd bij de Germanen des te moeilijker verdragen omdat zij wel wouden hebben, rijk aan kolossale wilde dieren, maar stalvee van slechts bescheiden omvang. En aanvankelijk leverden zij de runderen zelf in, daarna hun akkers, tenslotte stonden zij hun vrouwen of kinderen als slaven af.
4.72.3. Hinc ira et questus et postquam non subveniebatur remedium ex bello. Rapti qui tributo aderant milites et patibulo adfixi: Olennius infensos fuga praevenit receptus castello cui nomen Flevum; et haud spernenda illic civium sociorumque manus litora Oceani praesidebat.
4.72.3. Hieruit kwam wrok voort en geklaag en toen er geen verlichting kwam probeerden ze een oplossing te forceren door middel van oorlog. De soldaten die voor de inning van de belasting aanwezig waren werden gegrepen en aan de galg geknoopt: Olennius wist door een vlucht zijn vijanden te vlug af te zijn en trok zich terug in een versterking dat de naam 'Flevum' droeg. Daar bewaakte een niet onaanzienlijke menigte burgers en bondgenoten de kust van de Oceaan.
Caput LXXIII
Hoofdstuk 73
4.73.1. Quod ubi L. Apronio inferioris Germaniae pro praetore cognitum, vexilla legionum e superiore provincia peditumque et equitum auxiliarium delectos accivit ac simul utrumque exercitum Rheno devectum Frisiis intulit, soluto iam castelli obsidio et ad sua tutanda degressis rebellibus. Igitur proxima aestuaria aggeribus et pontibus traducendo graviori agmini firmat.
 
4.73.1. Zodra dit bij Lucius Apronius, de pro-praetor van Beneden-Germanië, bekend was geworden, ontbood hij de eenheden van de legioenen uit de Boven-Provincie alsmede uitgelezen infanterie en cavalerie van de hulptroepen en voerde beide legereenheden de Rijn af naar de Friezen. Het beleg van het fort was toen al opgeheven en de opstandelingen waren weggetrokken om hun eigendommen te verdedigen. Derhalve verstevigde hij de moerassen in de buurt met dijken en veenbruggen om daar de zwaardere legertros overheen te voeren.
4.73.2. Atque interim repertis vadis alam Canninefatem et quod peditum Germanorum inter nostros merebat circumgredi terga hostium iubet, qui iam acie compositi pellunt turmas socialis equitesque legionum subsidio missos. Tum tres leves cohortes ac rursum duae, dein tempore interiecto alarius eques immissus: satis validi si simul incubuissent, per intervallum adventantes neque constantiam addiderant turbatis et pavore fugientium auferebantur.
4.73.2. En na intussen doorwaadbare plaatsen gevonden te hebben gaf hij een ruiterafdeling van de Canninefaten en wat er aan Germaanse ruiters tussen de onzen diende de opdracht om met een omtrekkende beweging in de rug te komen van de vijanden, die, al voor een veldslg opgesteld, de cavalarie van de bondgenoten en de te hulp gezonden ruiterij van de legioenen onder zware druk zetten. Toen zijn drie lichtgewapende cohorten en daarna weer twee en, nadat er vervolgens enige tijd tussen verlopen was, de ruiterij van de bondgenoten opafgestuurd. Hoewel die sterk genoeg zouden zijn geweest als zij tegelijk aangevallen hadden, hebben zij nu, omdat ze bij tussenpozen gearriveerd waren, enerzijds niets bijgedragen aan het moreel bij de soldaten die al in verwarring gebracht waren en anderzijds werden zij door de schrik van de vluchtenden meegesleurd.
4.73.3. Cethego Labeoni legato quintae legionis quod reliquum auxiliorum tradit. Atque ille dubia suorum re in anceps tractus missis nuntiis vim legionum implorabat. Prorumpunt quintani ante alios et acri pugna hoste pulso recipiunt cohortis alasque fessas vulneribus. Neque dux Romanus ultum iit aut corpora humavit, quamquam multi tribunorum praefectorumque et insignes centuriones cecidissent.
4.73.3. Toen stelde Apronius aan Cethegus Labeo, onderbevelhebber van het vijfde legioen, alles ter beschikking wat hij nog aan hulptroepen had. En ook hij, door de hachelijke omstandigheden van de zijnen in een gevaarlijke positie gebracht, verzocht dringend om de hoofdmacht van de legioenen door het zenden van boden. Toen stormden de mannen van het vijfde legioen vóór de anderen naar voren en, door de vijand in een verbeten gevecht op de vlucht te drijven, ontzetten zij de cohorten en eskadrons die uitgeput waren door verwondingen. En de Romeinse aanvoerder trok niet op wraak uit noch begroef hij de gesneuvelden, ofschoon er veel tribunen en praefecten en aanzienlijke centurio's gesneuveld waren.
4.73.4. Mox compertum a transfugis nongentos Romanorum apud lucum quem Baduhennae vocant pugna in posterum extracta confectos, et aliam quadringentorum manum occupata Cruptorigis quondam stipendiari villa, postquam proditio metuebatur, mutuis ictibus procubuisse.
4.73.4. Naderhand is men van overlopers te weten gekomen dat 900 Romeinen afgemaakt zijn in het zogenoemde Baduhennawoud nadat zij de strijd tot de volgende dag hadden weten te rekken, en dat een andere afdeling van 400 eerst de villa bezet hadden van Cruptorix, die ooit als soldaat gediend had, en elkaar neergestoken hadden toen men verraad vreesde.